Belangrijkste conclusies
van het openbaar ministerie

Gerechtelijk recht

Materiële bevoegdheid van de rechter

De voorzitter van de ondernemingsrechtbank is bevoegd om kennis te nemen van de vordering waarvan het voorwerp, zoals omschreven in de dagvaarding, strekt tot de staking van een met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad bestaande in de medewerking door een derde onderneming aan een contractbreuk, niettegenstaande hij hiervan kennis had of moest hebben, Cass. 28 mei 2020, C.18.0011.N;

Het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State gericht tegen een weigeringsbeslissing van het bevoegde paritair comité met betrekking tot een toetredingsplan voor het invoeren van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen betreft geen individueel geschil betreffende de toepassing van collectieve arbeidsovereenkomsten zoals bedoeld in artikel 578, 3°, Gerechtelijk Wetboek, Cass. 27 november 2020, C.17.0303.N.

Procedure

De vraag of het gezag van gewijsde zich uitstrekt ten aanzien van vaststellingen in een eerder vonnis van de rechter waarover hij zelf geen beslissing heeft genomen, Cass. 9 januari 2020, C.19.0188.N;

Het verbod voor hoven en rechtbanken om ambtshalve derden in het geding te betrekken, Cass. 4 juni 2020, C.18.0345.N;

De mogelijkheid om middels conclusie gerechtelijk aan te manen tot kapitalisatie in de fase van beslechting van geschillen of moeilijkheden door de rechtbank in het kader van de gerechtelijke vereffening-verdeling, Cass. 4 juni 2020, C.19.0192.N;

Toepassing van het recht van de aangezochte lidstaat op de datum van de betekening van de bestreden beslissing, krachtens artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of handelszaken, Cass. 11 september 2020, C.19.0280.N;

Verplichting voor de nationale instantie om bij de betekening of kennisgeving van een stuk, krachtens artikel 8, lid 1 Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of handelszaken, het in bijlage II opgenomen modelformulier te voegen, Cass. 11 september 2020, C.19.0280.N;

Enkel de partijen die in de zaak in hoger beroep aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden, kunnen bij conclusie hoger beroep instellen, Cass. 17 december 2020, C.19.0374.F;

Al hangt de geldigheid van de afstand van hoger beroep niet af van de aanvaarding ervan door de gedaagde in hoger beroep, kan de afstand van hoger beroep die gedaan wordt voordat laatstgenoemde partij conclusie heeft genomen over het voorwerp van de vordering, haar het recht niet ontzeggen om incidenteel beroep in te stellen, Cass. 17 december 2020, C.20.0025.F.

Wraking en onttrekking van de zaak

Een vordering tot wraking die rechtsmisbruik uitmaakt, heeft geen schorsende werking (art. 837, eerste lid, Ger.W.), Cass. 17 juni 2020, P.20.0593.F;

Het laattijdige verzoek tot wraking (art. 833 Ger.W.), Cass. 17 juni 2020, P.20.0593.F;

De schorsende werking van de procedure tot wraking van de feitenrechter op de verjaring van de strafvordering (art. 837, eerste lid, Ger.W.), Cass. 21 oktober 2020, P.19.1310.F.

Beslag en middelen van tenuitvoerlegging

Wanneer de Belgische Staat de belasting op naam van een belastingplichtige inkohiert en zichzelf aldus een uitvoerbare titel bezorgt, zijn het bezwaar waardoor de belastingplichtige beroep aantekent tegen het bedrag van de belasting die voor de bevoegde ambtenaar is gevestigd, en vervolgens het rechtsmiddel dat hij tegen de administratieve beslissing aanwendt, geen vordering over de zaak zelf in de zin van artikel 1493 Gerechtelijk Wetboek, ook al heeft het debat hierdoor betrekking op de grondslag van de schuldvordering van de Belgische Staat; het bewarend beslag onder derden dat de Belgische Staat ten laste van de belastingplichtige bij de deposito- en consignatiekas legt, houdt op uitwerking te hebben na afloop van een termijn van vijf jaar te rekenen van de datum van dat beslag, behalve wanneer het vóór het verstrijken van die termijn wordt hernieuwd, Cass. 19 november 2020, C.20.0031.F.

Andere conclusies in gerechtelijk recht

Toepassing van het begrip beslissende reden, die de rechtsmacht van de rechter uitput in de zin van artikel 19 Gerechtelijk Wetboek, andersl. concl., Cass. 19 februari 2020, P.19.0159.F.